Lotusbloem

De verborgen schat

Kun je altijd volledig open, waakzaam en vol compassie zijn?

Een vriendin schreef me dat ze zich tijdens meditaties vaak heel gelukkig voelt, heel ontspannen, waakzaam en vol liefde, maar dat dit meteen wegebt als de meditatie is afgelopen. ‘Dan komt de stress weer terug en voel ik me gespannen en gefrustreerd. Komt dit omdat ik niet goed mediteer? Of heeft een meditatie op zich weinig effect in de hectiek van ons dagelijkse leven? Is meditatie zoiets als een brandend kaarsje dat, als je stil bent, in de avond even je ruimte kan verlichten, maar meteen uitwaait als de deur open gaat?’

En ze voegde er aan toe: ‘Ik heb gehoord dat er in India yogis zijn die zeggen dat ze ‘verlicht’ zijn en de hele dag in een gelukzalige toestand. Ken jij die en hebben ze daar ooit onderzoek naar gedaan of het wel echt is? Ik vraag dit niet omdat ik een ongelovige Thomas ben die iets pas gelooft als ik het zie, want ik weet dat meditatie niet zomaar geloven is. Het is echt aan den lijve ervaren en niet aannemen op gezag van een ander. Maar bij mij beklijft het niet. Zijn er mensen die niet alleen zeggen dat ze altijd in een gelukstoestand zijn, maar bij wie dat ook is aangetoond, laten we zeggen door de wetenschap. Mensen die ook in wetenschappelijke experimenten altijd volledig open, waakzaam en vol compassie blijken te zijn?’

 

Zes blinden en een olifant

In mijn mail antwoordde ik haar dat ik in de nabijheid van mijn spirituele leraar Osho in India wel altijd het vertrouwen heb gehad bij iemand te leven die volledig was doorgebroken naar een dimensie die ik niet kende. Een voortdurende gelukstoestand, open en vol compassie? Zo maakte ik hem altijd mee. Maar het was als kijken naar een verre horizon. Hoe Osho ook zijn best deed ons iedere morgen en avond duidelijk te maken dat deze dimensie van het bestaan ook voor ieder van ons mogelijk was, het overkwam me maar een paar maal. Genoeg om mijn hele leven in een nieuw perspectief te zetten, maar niet voldoende om altijd in zo’n toestand te verblijven.

‘Maar hoe zou je dit wetenschappelijk moeten bewijzen?’ schreef ik mijn vriendin, ‘Hoe zou je de toestand van Osho wetenschappelijk moeten onderzoeken? Er werden Osho wel eens vragen over gesteld, maar dan waren zijn antwoorden toch heel paradoxaal. De ene keer zei hij: ‘Er is geen verschil tussen jou en mij, behalve de mate van bewustzijn.’ Een andere keer zei Osho: ‘Het gaat er om dat je alles wat je denkt te zijn helemaal loslaat. Alleen in een toestand van niet denken (no-mind) ben je zoals ik. Maar je zult dan ontdekken dat ik er ook niet ben.’ Grapje? Nee. Osho bedoelde dit heel serieus. Maar wat bedoelde hij er mee? Kunnen wij ons dat voorstellen? En dan vooral, is dat wetenschappelijk te onderzoeken? Het lijkt een bizarre vraag.’

Later in een gesprek met mijn vriendin kwamen we hierop terug. Op dat moment herinnerde ik me een verhaal dat Osho eens vertelde en dat in ieder geval inzicht kan geven in de vraagstelling en misschien ook wel een beetje in de mate waarin we een antwoord kunnen krijgen. Het is de Indiase parabel van zes blinden en een olifant’.

Hier is het verhaal. Zes blinde reizigers uit Hindoestan liepen op hun levensweg tegen een olifant op, maar telkens tegen een ander deel. En ze dachten dat ze iets over de olifant konden vertellen, maar praatten natuurlijk alleen over dat ene stukje dat ze konden betasten. Zo zei de een die tegen de rechterflank was opgebotst: de olifant is een hoge muur. De ander voelde een slagtand en wist het nu zeker: de olifant is een speer. De derde voelde een kronkelende slurf en riep uit: nu weet ik het, de olifant is een slang. Zo ging het verder. Wie een been voelde wist zeker dat de olifant een boom was, wie aan een oor aaide zei triomfantelijk dat de olifant een waaier was en de zesde die een staart voelde riep uit: dit is de absolute waarheid, de olifant is een touw.

En het slot van de parabel, in de Indiase versie: ‘Aldus zetten de zes uit Hindoestan zich aan een debat, met luide stem en onverveerd. Ieder zei er het zijne van en liet zich door de ander onbekeerd. Allen waren weliswaar ten dele in het gelijk, samen echter hadden ze het verkeerd.’ We moesten lachen toen we deze parabel zo lazen. Zo doen wij mensen vaak. Praten over iets waarover we denken absoluut zeker te zijn, terwijl we nauwelijks weten waar het over gaat.

Dus maar altijd onze mond houden? Mystici doen dat feitelijk. Het woord ‘mystiek’ zegt het al. Het woord komt van het Griekse woord ‘muein’ wat ‘stil zijn en niets zeggen’ betekent. Maar dan zijn er altijd mensen die nieuwsgierig zijn naar wat er in zo’n mysticus omgaat en daar verslag van willen hebben. Bijvoorbeeld wetenschappers die onderzoek willen doen.

 

De zoektocht van de wetenschap

In het boek ‘Meditatie’ dat voor mij al eerder een bron van inspiratie was, als vragen bij mij binnen kwamen (zie mijn vorige blogs), doen westerse wetenschappers sinds een aantal jaren onderzoek naar meditatie. En niet alleen bij mensen die korte trainingen meditatie of mindfulness ondergaan, maar ook bij yogis die lange tijd, soms wel hun hele leven aan meditatie hebben gewijd. Boeiend? Ondanks de problemen die dergelijke wetenschappelijke onderzoeken met zich meebrengen, het is fascinerend hun bevindingen te lezen.

Aanvankelijk, de jaren ’90, wilde het maar niet lukken. Bekend is de mislukte tocht van een aantal wetenschappers die zwaar beladen met meetinstrumenten de Himalaya in trokken om daar een aantal kluizenaars op te zoeken. De kluizenaars leefden er al lang en waren door de Dalai Lama aangewezen als meesters van lojong, een manier om systematisch de hersenen te trainen. Maar de tocht mislukte, want ook als de wetenschappers de aanbevelingsbrief van de Dalai Lama lieten zien, zeiden alle kluizenaars ‘nee’. Achteraf gezien was het duidelijk: voor de kluizenaars waren die koffers vol blinkende meetinstrumenten een te vreemde wereld.

Ook later ging er nog wel eens wat mis in de communicatie, maar uiteindelijk konden de twee werelden elkaar vinden. Een bekend voorbeeld is het moment waarop de gerenommeerde neurowetenschapper Richard J.Davidson in het Namgyalklooster aan een groep boeddhistische monniken een demonstratie wilde geven van de biologische verandering die compassie teweeg brengt.

Hij had daarvoor zijn collega Francesco Valera als subject uitgekozen en zijn hoofd, zoals bij een EEG onderzoek gebruikelijk is, op een aantal precies uitgezochte punten met electroden beplakt. Maar toen hij met Francesco op het podium verscheen om de demonstatie te geven barstten de monniken massaal in lachen uit. Het duurde een tijd voordat de reden daarvan duidelijk werd. Het was niet omdat Francesco er met al die draadjes als een grote kluwen spaghetti uit zag, maar omdat de draadjes om zijn hoofd waren gewikkeld. ‘Fout onderzoek. Compassie onderzoek je niet in je hersenen, maar in je hart,’ riepen de monniken lachend.

De communicatie werd echter snel hersteld en de demonstratie begon. Toen zagen de monniken vol verbazing hoe er biologisch gezien ook veranderingen in de hersenen plaatsvinden als iemand een gevoel van compassie ervaart. Metingen wezen uit dat compassie een sterk belichaamde toestand is, met een duidelijk grotere activiteit tussen de hersenen en het hart. Met name de ‘insula’, het hersengebied dat de informatie tussen hersenen en lichaam regelt, was tijdens momenten van compassie heel actief.

 

21 Yogi’s

Het bleek een belangrijk moment in de ontmoeting van de wereld van wetenschap met die van de mensen die ervaring hebben met meditatie en compassie. De onderlinge verstandhouding verbeterde en er bleken steeds meer yogi’s en monniken bereid zich aan een wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen. Toen konden ook de wetenschappers meer eisen stellen, met name wat betreft de ervaring die iemand had met meditatie.

Op een gegeven moment was men zover dat men een groep van 21 Tibetaanse en westerse yogis gevonden had die in hun leven minstens 34 000 uur hadden gemediteerd en die bereid waren mee te werken aan een wetenschappelijk onderzoek dat zou plaatsvinden aan de Universiteit van Wisconsin in Madison, waar Richard J. Davidson neurowetenschapper was.

Dit onderzoek, dat begin deze eeuw plaatsvond, was wetenschappelijk goed voorbereid. De groep bestond uit een groep yogi’s met verschillende culturele achtergronden, zodat duidelijk was dat de resultaten niet afhankelijk waren van een bepaalde culturele achtergrond. De yogi’s moesten ook in staat zijn op afroep een bepaalde meditatieve staat in te gaan, zodat er verschillen gemeten konden worden tussen de eigenschappen van de ene en andere staat en er een mogelijk blijvende biologische toestand gevonden kon worden, die ook in de slaap zou doorgaan. Bij het vooronderzoek bleken deze 21 yogi’s hieraan te kunnen voldoen.

Om het wetenschappelijk gehalte te verhogen was er voor elke proef een groep vrijwilligers beschikbaar zodat de verschillen duidelijk gemarkeerd konden worden. Bovendien waren de meetinstrumenten verfijnder dan in de jaren ’90. Er werd met EEG-metingen gewerkt, maar ook met fMRI scans die veel verfijnder konden registreren wat er in de hersenen plaats zou vinden. Iedereen was erg benieuwd welke gegevens deze onderzoekingen zouden opleveren.

 

Neuraal signaal van transformatie

Deze keer waren de wetenschappers verbaasd. In de rapporten van deze onderzoekingen staat hoe ze elkaar aankeken en alleen maar konden zeggen: ‘Ongelofelijk!’ Wat ze namelijk ontdekten was dat alle yogi’s een sterk verhoogde waarde aan gammagolven hadden. Die golven waren zichtbaar zowel als ze een aanwezigheids- of compassiemeditatie beoefenden, maar ook bij de metingen die vooraf, tussendoor en achteraf plaatsvonden. De wetenschappers hadden tot hun eigen verbazing een verborgen schat ontdekt: een neuraal signaal van een blijvende transformatie.

In onze hersenen bestaan vier hoofdsoorten hersengolven en ze worden geclassificeerd naar frequentie, technisch gesproken in ‘hertz frequentie’. Delta, de langzaamste golf, oscilleert één tot vier keer per seconde en komt vooral tijdens diepe slaap voor. Theta, de op een na langzaamste golf is een teken van slaperigheid. Alfa komt voor als we ontspannen zijn en bijvoorbeeld dagdromen. Een Bèta is de snelste golf en kan gemeten worden als we veel denkwerk verrichten, praten, argumenteren, alert zijn en onszelf ergens op concentreren.

Een Gamma golf is de snelste, sterkste en meest intense hersengolf en doet zich voor op momenten dat verschillende hersengebieden onverwacht in harmonie actief zijn. Simpel, als je in een sappige, rijpe perzik bijt en je hem tegelijk voelt, ziet, proeft en ruikt en nog een keer bijt terwijl het sap langs je kin druipt. Dat heerlijke gevoel. Op zo’n moment is er in je hersenen een flikkering van gamma golven zichtbaar. Nooit bij jezelf gemeten misschien, maar wetenschappers hebben het wel ontdekt.

Ze zien deze opflikkering van gammagolven ook op momenten van een juichend ’Aha-beleving, als we na lang ploeteren en zoeken onverwacht zien hoe verschillende elementen van een puzzel in elkaar klikken, als we plotseling inzicht krijgen in een situatie en een creatieve oplossing zien, als ‘het licht plotseling doorbreekt’.

Voor een kort moment trillen de gammagolven in onze hersenen dan even in perfecte harmonie, misschien een minuut, maar beslist niet zo lang als bij de yogi’s die aan het onderzoek meededen. Bij hen maakten de gammaoscillaties een veel prominenter deel van hun hersenactiviteit uit dan bij anderen. Ook in rust hadden de yogi’s vijfentwintig keer zoveel gammaoscillaties als de mensen in de controle groep.

 

Nieuw groeipunt?

We kunnen alleen maar gissen wat dit voor de bewustzijnstoestand van de yogi’s betekent. De yogi’s zelf beschreven het als een ‘ruimtelijkheid en weidsheid van ervaring’, in die zin dat al hun zintuigen helemaal open stonden voor het totale spectrum van ervaringen. De yogi’s herkenden zich in uitspraken als ‘een bewustzijn in het heden, zonder afgeleid te worden door vragen over de toekomst of gepieker over het verleden’. Anderen noemden het ‘een inspanningsloze concentratie, waarbij het geen moeite kost je aandacht blijvend en vol mededogen op iets of iemand te richten’.

Het is een toestand die al in veel oude wijsheidsboeken wordt beschreven. In een Tibetaanse tekst uit de veertiende eeuw wordt er het volgende over gezegd: ‘ Een toestand van naakte, transparante waakzaamheid; moeiteloos en schitterend intens, een toestand van ontspannen, ongebonden wijsheid; vrij van fixatie en helder als glas, een toestand zonder enig kader; ruimtelijk lege zuiverheid, een toestand wijds open en onbegrensd; de zintuigen vrij van ketenen’.

Is dit nog mogelijk in onze hectische tijd? Moet je veel oefenen? Uit de wijsheidstradities weten we dat een dergelijke toestand eigen is aan ons mensen, een schat die in ieder van ons verborgen is. Natuurlijk, er is oefening en inspanning voor nodig. Tegelijkertijd weten we uit de wijsheidstradities dat een dergelijke toestand ook iets is wat je zo maar kan overkomen. Je kunt plotseling struikelen over de waarheid, onverwacht ontdekken dat je de heilige graal gevonden hebt. Het is de kunst om er dan bij te blijven.

Moderne wetenschappers hebben er sinds kort het neuro-biologisch profiel van ontdekt. Daarmee hebben ze deze toestand als objectief beschreven voor hun collega’s die dit als pure fantasie op de schroothoop wilden gooien. Maar dat betekent nog niet dat de weg hiernaar toe gemakkelijk is. Oefening is nodig. Tegelijkertijd is het afwachten of het bestaan je in deze toestand wil laten leven.

Gaat dit gebeuren? Hoe liggen de kansen? Mijn inschatting is dat wij mensen op aarde een situatie aan het creëren zijn waarin de kansen voor dit groeipunt in onze evolutie steeds groter worden. Ben ik te optimistisch? Ik hoor het graag.  

 

Reacties zijn welkom via ojas@vgamsterdam.nl

programma

Rifgebergte berber man met ezel
08 september 2019
Leesgroep mystieke bronteksten
22 september 2019